WNF – Slechte ontwikkelingen natuur

09-02-2020 JOURE – Het Wereld Natuur Fonds (WNF) heeft afgelopen week een alarmerend onderzoeksrapport gepresenteerd. Vooral op boerenland en in heidegebieden gaat het slecht: populaties van diersoorten die daar leven, zijn gemiddeld met 50 procent afgenomen sinds 1990, becijfert de natuurorganisatie in het vandaag verschenen Living Planet Report.

De onderzoekers wijzen in het rapport intensivering van de landbouw en de hoge stikstofuitstoot aan als grote boosdoeners. Ze pleiten voor een ‘fundamentele omslag in de landbouw’.

Natuur en boeren moeten elkaar helpen
Samenwerking met boeren is volgens het WNF cruciaal. “We moeten kijken hoe we gezamenlijk tot een oplossing kunnen komen”, zegt directeur Kirsten Schuijt. Ze hekelt het gepolariseerde debat, waarin de belangen van boeren en de natuur vaak tegenover elkaar worden gezet. “We moeten met alle partijen samen aan tafel zitten”, zegt ze. Het WNF hoopt dat de politiek snel met beleid voor de lange termijn zal komen.

Het meest is de biodiversiteit afgenomen in agrarisch gebied en op de hei. “Agrarische graslanden en akkers zijn nog steeds groen, maar weinig mensen weten hoe rijk het boerenland rond 1900 was aan vlinders, andere insecten en akkerkruiden”, schrijven de onderzoekers. “Heide kan, met gericht beheer, paars blijven, maar bijna niemand beseft dat tussen die paarse heide vroeger veel meer kruiden, insecten en vogels leefden.” Met soorten die geen specifiek leefgebied nodig hebben, gaat het beter: die populaties stabiliseren.

Duidelijk verband met stikstof
Te veel stikstof heeft een domino-effect. Zo gaan in heidegebieden grassoorten woekeren. Ze verdringen planten die het goed doen op voedselarme grond en dat raakt weer vlinders en andere insecten die daar hun voedsel uit halen – en dus ook vogels die insecten eten.

Het verband tussen stikstof en soortenrijkdom is volgens de onderzoekers duidelijk. In heidegebied op hoge zandgronden waar zeer hoge stikstofneerslag werd gemeten, kelderden populaties met gemiddeld 70 procent in dertig jaar tijd. Maar het rapport laat ook zien dat de natuur zich kan herstellen: in bosgebieden waar de stikstofneerslag afnam, leefden soorten als de boomklever en de bosuil op.

Stikstof is niet het enige probleem. De onderzoekers wijzen ook op de nadelige effecten van bestrijdingsmiddelen, verdroging en het monotoner wordende platteland.

Veel minder soorten op boerenland
Tegelijkertijd verscheen het resultaat van een studie van het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Vlinderstichting, Sovon Vogelonderzoek en Floron over de staat van het Nederlandse boerenland. De onderzoekers concluderen dat het Nederlandse boerenland van 1900 vele malen rijker aan flora en fauna was dan het vandaag de dag is.

De studie maakt duidelijk hoe ernstig de historische achteruitgang van soorten is. Vogelsoorten die broeden op het open boerenland spannen de kroon: hun populaties zijn met gemiddeld 85 procent gekelderd. Tot die soorten behoren bijvoorbeeld de kievit en de grutto.

Vogels die broeden in heggen, houtwallen en bosjes, zoals de putter en de geelgors, hebben de grote veranderingen op het platteland iets beter doorstaan. Hun populaties namen met 60 procent af.

Voor de studie zijn nieuwe statistische analyses toegepast en historische meetgegevens ontsloten. Dat levert een beter inzicht op dan tot nu toe voorhanden was. De cijfers zijn ook gebruikt in het gelijktijdig verschenen Living Planet Report van het WNF.

Veel minder vlinders en planten
Uit de CBS-cijfers blijkt dat de verspreiding van grasvlinders in de 20e eeuw enorm is gedaald, met zeker 80 procent. Vier soorten verdwenen helemaal: dwergdikkopje, kalkgraslanddikkopje, tijmblauwtje en moerasparelmoervlinder. Soorten die nog wel voorkomen in agrarisch gebied, worden vrijwel alleen nog gezien op perceelranden en bloemrijke dijken. Sinds 1990 is niet veel meer veranderd aan de verspreiding van de vlinders, aldus het CBS.

Met de flora op Nederlandse akkers is het sinds 1900 ook bergafwaarts gegaan: de verspreiding van 65 kenmerkende plantensoorten is met minimaal 35 procent afgenomen. Het werkelijke percentage ligt waarschijnlijk nog veel hoger, aldus het CBS. Dat heeft te maken met de meetmethode: van oudsher wordt geturfd in hoeveel ‘kilometerhokken’ een plantensoort groeit. Een kilometerhok is een vierkant van 1 bij 1 kilometer. Daarmee blijft onduidelijk hoe groot de afname is van het aantal planten per hok.

Vooral na 1950 namen de wilde plantensoorten op akkers sterk af. Dat komt onder meer door bestrijdingsmiddelen en intensiever grondgebruik. Het statistiekbureau wijst er ook op dat boeren vanaf de jaren 50 massaal afscheid namen van rogge en haver en mais gingen telen voor veevoer. Op maisakkers groeien veel minder akkerplanten dan tussen haver en rogge.