RND roept verhuurderspartijen op de winkelhuren niet te verhogen

De Raad Nederlandse Detailhandel (RND) roept verhuurders op om de winkelhuurprijzen dit jaar niet te verhogen. Op 21 april maakten verhuurders in een persbericht bekend dat dat winkeliers de komende periode een forse huurprijsverhoging kunnen verwachten van meer dan 6 procent. Volgens de verhuurders is de huurprijsstijging het gevolg van de opgelopen inflatie. De RND stelt dat deze huurprijsverhoging niet te rechtvaardigen is. Redelijker is het als iedereen in de keten terughoudend is met prijsverhogingen en een deel van de kostenstijging dit jaar eerst voor eigen rekening neemt, dus ook de winkelvastgoedpartijen.

Wie dacht dat de grootste uitdagingen voor winkeliers met de heropening van de samenleving en het afschaffen van de anderhalf-meter-samenleving achter de rug waren heeft het mis: op 21 april lieten beleggers weten dat winkeliers de komende periode een forse huurverhoging kunnen verwachten van meer dan 6 procent.

In Nederland geldt namelijk dat verhuurders de huurprijs van een winkelpand jaarlijks contractueel kunnen verhogen met een percentage dat is gekoppeld aan de consumentenprijsindex (CPI). Alhoewel verhuurders contractueel gezien de huurprijzen met een percentage dat is gekoppeld aan het CPI mogen verhogen, is deze stijging van de huurprijs in de praktijk allerminst te rechtvaardigen.

Allereerst, is de financiële positie van winkeliers dankzij de coronacrisis sterk verzwakt. Veel winkeliers hebben zich vanwege de coronacrisis noodgedwongen in de schulden gestoken. Vanaf oktober dit jaar moeten winkeliers deze schuld met rente, die oploopt tot 4 procent, gaan terugbetalen. Voor veel winkeliers geldt dat zij hierdoor onvoldoende financiële ruimte hebben om een sterke huurprijsstijging te betalen. Bovendien blijkt uit cijfers van het CBS dat de transactieprijzen van commercieel vastgoed, waaronder winkels, in 2021 is toegenomen, waardoor de financiële positie van vastgoed- en pensioenfondsen, die nooit een lockdown kenden, verder is versterkt.

De winkelier deelt niet mee in deze waardestijging; de boekwaarde van een winkelpand is voor een winkelier namelijk geen succesbepalende factor. Voor een winkelier is aantal passanten dat langs hun winkel komt vele malen belangrijker. Uit cijfers van het PBL blijkt dat het aantal passanten nog niet is teruggekeerd naar het niveau van voor de coronacrisis. Dit kan onder andere worden verklaard door het uitblijven van grote toeristenstromen en veranderd consumentengedrag. Zo beredeneerd zou een huurprijsverlaging op dit moment eerder op zijn plaats zijn.

Daarnaast wordt de inflatie op dit moment vooral aangewakkerd door een stijging van de energie- en grondstoffenprijzen. De huurprijs die winkeliers betalen is exclusief de energiekosten. De kosten voor gas, water, licht en elektra vallen namelijk onder de servicekosten. Winkeliers dreigen hierdoor dubbel belast te worden.

De uitspraak dat de toenemende inflatie automatisch leidt tot een hogere omzet en dat een stijging van de huurprijs hierdoor een logisch gevolg is, klopt op dit moment niet. In deze uitspraak wordt ervan uitgegaan dat winkeliers de stijging van de inkoopkosten direct door kunnen berekenen aan de consument en dat het aantal artikelen dat winkeliers verkopen gelijk is of is toegenomen. Hoewel een aantal winkeliers hun prijzen misschien kan verhogen, geldt dit lang niet voor alle winkeliers. Veel winkeliers hebben weinig tot geen ruimte om hun prijzen te verhogen, bijvoorbeeld vanwege de concurrentie met webshops. Winkeliers doen nu juist hun best om de prijzen voor de consument laag te houden, omdat zij begrijpen dat iedereen maar één portemonnee heeft.

Kortom, de RND stelt dat winkeliers goede en gegronde argumenten hebben om een huurprijsverhoging niet direct te accepten en roept verhuurderspartijen op om af te zien van een huurprijsverhoging.