Onze winters zijn in rap tempo vorstarmer geworden


01-02-2018 JOURE – Dat onze winters in snel tempo vorstarmer zijn geworden, is niet alleen een onderbuikgevoel, maar kan ook door harde feiten worden gestaafd. Het zijn zware tijden voor de liefhebbers van winterweer. Werden zij begin december een beetje lekker gemaakt met een paar dagen met veel sneeuw, inmiddels schrijven we eind januari en heeft deze winter tot dusver op vorstgebied nog vrijwel niets gepresteerd. Een terugblik naar de laatste 57 winters leert ons echter dat dat dit symptomatisch voor ons (winter)klimaat lijkt te zijn geworden.
Het ‘winter’- of ‘Hellmanngetal’
Verreweg de meest populaire methode om te bepalen in welke mate een winter vorst oplevert, is om het zogenaamde ‘wintergetal’ of het ‘Hellmanngetal’ te berekenen. Daartoe wordt de gemiddelde etmaaltemperatuur van iedere dag, voor zover deze onder nul ligt, opgeteld, met weglating van het minteken. Bijvoorbeeld: een etmaal met een gemiddelde temperatuur van -2,4 graden, scoort dus 2,4 punten, en ieder etmaal met een gemiddelde temperatuur van 0,0 graden of hoger, scoort dus niets.

Kijken we naar De Bilt, dan zien we dat de strengste winters van weleer meer dan 300 van deze Hellmanpunten wisten te scoren, de laatste keer was dat in de winter van 1963. Aan de andere kant scoren de slapste winters minder dan 10 punten en in de winter van 2014 bleef de teller zelfs op 0,0 staan! In die winter kwam de gemiddelde etmaaltemperatuur dus geen enkele maal onder het vriespunt uit!

Opnieuw een extreem vorstarme winter
Maar de huidige winter heeft amper beter gepresteerd. Tot dusver is er alleen op 2 december de gemiddelde etmaaltemperatuur net onder nul geweest met -0,4 graden, waardoor de tussenstand van het wintergetal nu op een zielige 0,4 punten staat. Dat is goed voor een voorlaatste plaats, net boven de andere anti-winter uit 2014. Januari heeft in De Bilt slechts vier vorstdagen opgeleverd met een minimumtemperatuur van onder nul, waarbij de 8e januari de ‘koudste’ was met een minimum van -1,4 graden. Dat is een uitzonderlijk hoge laagste waarde voor de Louwmaand, maar toch geen record. Die -1,4 graden wordt gedeeld met januari 1990, maar in januari 1948 werd het niet kouder dan -1,2 graden en in januari 1988 werd zelfs de -1 graad niet gehaald; de koudste nacht was toen -0,9 graden.

Uiteraard kan deze winter het blazoen nog een beetje oppoetsen, want februari hebben we nog te gaan. Het opvallende is dat we al weken zien dat de weermodellen geregeld ‘iets willen proberen’ op wintergebied, maar dat die pogingen steeds één tot anderhalve week in de toekomst worden berekend en vervolgens goeddeels zijn weggepoetst, zodra die toekomst het heden is geworden. En dat zien we ook vandaag. Opnieuw lijken de nieuwste runs van het ECMWF en ook het UKMO iets te willen proberen en nu zelfs al op iets kortere termijn, vanaf aanstaande weekend al. Lang niet alle weermodellen doen echter mee met dit mogelijke winterfeestje en een blik op de pluim leert ons dat de bovenluchten een paar dagen flink koud worden, zo rond -10 graden op rond 1500 meter hoogte en dat zich dat ook vertaalt naar lagere temperaturen aan de grond. Het is bemoedigend voor de winterliefhebbers dat er heel wat members hierin mee gaan. De mediaan (de middelste waarde) zakt ook een paar dagen flink weg en suggereert dat de gemiddelde etmaaltemperatuur minstens een tweetal dagen onder nul zou kunnen uitkomen, kortom een echt flitswintertje dus. Er zijn echter ook nog genoeg berekeningen die zelfs dit flitswintertje maar weinig kans geven en gematigd, tot zelfs ronduit zacht blijven. We moeten dus niet gek opkijken als mocht blijken dat over een dag of tien, het Hellmann- of wintergetal in De Bilt toch nog steeds op 0,4 punten staat, omdat dit de zoveelste losse flodder van deze winter bleek te zijn. Wordt het beeld van de huidige pluim echter bevestigd, dan zullen er begin volgende week wel een paar puntjes worden gesprokkeld.

De winters lijken in snel tempo vorstarmer te worden
“Waar blijft die ouderwetse winter?” Zong Marc Winter al in 1976. Zachte winters zijn van alle tijden in ons land, maar toch is het opmerkelijk om te zien hoe de kans op een stevige vorstperiode (die zich ook in een zachte winter kan voordoen, denk maar aan 2012), in snel tempo lijkt af te nemen in onze streken. Dat dit geen misplaatst gevoel is, maar wel degelijk op feiten is gebaseerd, blijkt uit het volgende onderzoekje. Als we 2000 voor het gemak bij deze eeuw rekenen, dan hebben we, met inbegrip van deze en de huidige winter, deze eeuw al 19 winters gehad. Daarvan leverden in De Bilt de helft van deze winters (9 stuks) minder dan 25 Hellmannpunten op, en daarvan zes zelfs minder dan 10 punten! Slechts vier van deze 19 winters leverden méér dan 75 Hellmannpunten op, maar geen enkele daarvan behaalde honderd winterpunten of meer.

Vergelijken we dit dan met de twee tijdvakken van 19 winters hiervoor, dus de periode 1981 – 1999 en 1962 – 1980, dan zien we een onthutsend beeld. Om met die laatste periode te beginnen, hierin zaten vier (zeer) vorstarme winters, waarvan één (1975) minder dan 10 Hellmannpunten scoorde. Bijna de helft (8 stuks) scoorden echter méér dan 75 Hellmannpunten en daarvan vijf meer dan honderd punten, met als toppers natuurlijk 1963 en 1979.

De tussenliggende periode van 1981 tot en met 1999, laat ook een ‘tussenbeeld’ zien. Al wat meer (zeer) vorstarme winters, maar ook nog een aantal vorstrijke winters (denk bijvoorbeeld aan het trio 1985 – 1987). Als we deze drie even lange tijdvakken naast elkaar leggen, dan zien we eindelijk een onthutsend beeld. Het aantal, zeg maar kwakkelwinters met een wintergetal tussen 25 en 75, is vrijwel gelijk gebleven met respectievelijk zeven, zes en zes stuks, maar het aantal vorstrijke winters met minstens 100 Hellmanpunten is van vijf, via zes, naar nul gedaald, terwijl het aantal extreem vorstarme winters is gestegen van één, via twéé, naar zes (!) stuks. De naakte feiten vertellen ons dus dat momenteel, vergeleken met de jaren ’60 tot en met ’80 van de vorige eeuw, de kans op een kwakkelwinter gelijk is gebleven, maar dat we alle (zeer) vorstrijke winters hebben verruild voor winters met weinig, of vrijwel geen vorst.

Een andere manier om te zien dat de winters in snel tempo vorstarmer zijn geworden, is om van ieder 19-jarig tijdvak de mediaan te berekenen, zeg maar de waarde die aangeeft waar de helft van alle winters méér, of juist minder vorst opleveren. Daartoe hebben we voor ieder tijdvak de winter van koud naar warm gerangschikt (andersom mag ook) en dan het gemiddelde van de wintersommen van de winters op de 9e, 10e en 11e plek genomen. We komen dan van oud naar recent op de volgende drie Hellmanngetallen uit: 59,0; 42,9 en 26,9. We zien dus méér dan een halvering van het aantal winterpunten. Uiteraard bieden gegevens uit het verleden geen garantie voor de toekomst en zou deze trend de komende jaren weer naar de koudere kant kunnen worden omgebogen, waarmee echter niet gezegd wordt dat dit ook daadwerkelijk gaat gebeuren. In ieder geval is het duidelijk dat de Nederlandse winter in de laatste tientallen jaren in snel tempo vorstarmer is geworden, wat de weerliefhebbers in het algemeen, en de liefhebbers van sneeuw en vooral (schaats)ijs in het bijzonder, niet tot vreugde zal stemmen.

Tom van der Spek