Kwart 15-plussers spreekt thuis dialect of andere taal dan Nederlands

16-07-2021 JOURE – Ongeveer een kwart van de 15-plussers gebruikt thuis het meest een andere voertaal dan het Nederlands. Daarbij kan het gaan om een dialect, om een regionale taal als Fries, Limburgs en Nedersaksisch, of om een andere taal, zoals Engels, Pools of Turks. Het gebruik van regionale talen en dialecten verschilt per regio, maar ook opleiding en leeftijd zijn van invloed. Dit blijkt uit cijfers van het CBS-onderzoek Sociale samenhang en welzijn, dat in 2019 onder ruim 7,5 duizend personen is uitgevoerd.

Het is de eerste keer sinds 1998 dat over dit onderwerp een nationaal onderzoek is gehouden dat is gebaseerd op een representatieve steekproef. De deelnemers gaven antwoord op de vraag: ‘Welke taal of welk dialect wordt bij u thuis het meest gesproken?’ <toelichting>. Daarbij konden ze kiezen uit een lijst met 111 talen en dialecten. Bovendien konden ze een taal of dialect toevoegen als die niet op de lijst voorkwamen. In totaal werden 149 talen en dialecten vermeld.

1 op de 10 spreekt regionale taal
Ruim 10 procent van de 15-plussers spreekt thuis een van de drie door de overheid erkende regionale talen: Fries (2 procent), Nedersaksisch (5 procent) of Limburgs (ruim 3 procent). Het Nedersaksisch komt vooral voor in Gelderland, Overijssel, Drenthe en Groningen. Een dialect wordt door ruim 5 procent van de 15-plussers in Nederland thuis het meest gesproken en een andere taal, zoals Turks, Engels of Marokkaans/Berbers, door ruim 8 procent. In totaal is bij bijna een kwart van de 15-plussers de voertaal thuis geen Nederlands, maar een dialect, een regionale taal of een andere taal.

Regionale verschillen
Provincies verschillen sterk in de taal of dialect die thuis het meest gesproken wordt, waarbij dialecten en talen zich uiteraard niet aan de provinciegrenzen houden. Het Nederlands is het vaakst de voertaal in de provincie Utrecht en het minst vaak in Limburg, waar net iets minder dan de helft in het Nederlands communiceert. Van de Friezen spreekt 40 procent thuis voornamelijk Fries, van de Limburgers 48 procent Limburgs. Het Nedersaksisch wordt door 31 procent in Drenthe, door 26 procent in Groningen en door 24 procent in Overijssel thuis gebezigd. In Zeeland en Noord-Brabant wordt thuis relatief vaak gecommuniceerd in een dialect dat niet behoort tot een van de regionale talen. In Flevoland, Noord- en Zuid-Holland wordt met ruim 10 procent thuis het vaakst voornamelijk een andere taal, zoals Engels, Turks, Marokkaans/Arabisch en Pools gesproken. In Drenthe is dit met 3 procent het minst het geval.

Hoe hoger de opleiding, hoe minder dialect
Het gebruik van dialect als voertaal thuis neemt af naarmate de opleiding hoger is. Bij een andere taal komt het thuisgebruik zowel bij de laagst (18 procent) als de hoogst opgeleiden (11 procent) meer voor. Bij de eerste groep gaat het dan hoofdzakelijk om talen als Pools, Turks, Chinees/Mandarijn en Marokkaans/Berbers, bij de tweede groep om Engels.

Bij de regionale talen is er een verschil tussen Nedersaksisch enerzijds en Fries en Limburgs anderzijds in de relatie tussen taalgebruik en opleidingsniveau. Terwijl het Nedersaksisch aanzienlijk minder thuis wordt gebruikt naarmate het opleidingsniveau hoger is, is dat verschil bij Fries en Limburgs veel geringer.

Fries en Limburgs ook vaak op andere plekken
Ook bij het gebruik buiten de eigen kring wijkt het Nedersaksisch af van het Fries en Limburgs. Wie thuis Fries of Limburgs gebruikt, doet dat vaak ook op andere plekken. Een meerderheid geeft aan de ‘thuistaal’ ook te spreken op het werk of op school en bij officiële instanties, zoals het gemeente- of ziekenhuis, in winkels en de horeca, en met buren of vrienden. Het gebruik van het Nedersaksisch buitenshuis is beduidend geringer. Vooral bij officiële instanties wordt maar zelden deze regionale taal gebruikt.