Droogte zorgt wederom voor problemen bij kuikens

23-04-2020 JOURE – In februari was het zo nat dat de velden blank stonden, niemand had toen kunnen bedenken dat het er nu heel anders voor zou staan. Na weken van zonneschijn en een schrale, droge wind uit het noordoosten springen nu de barsten in de kleigrond en stuift het op de zandgronden. Het weer dat wij mensen zo mooi vinden vormt voor de vogels een groot probleem. De BFVW en Stichting Agrarisch Natuurfonds Fryslân roepen daarom boeren en burgers op om de vogels te helpen door te zorgen voor water op weilanden en in tuinen.

Massaal komen de kievitskuikens deze dagen uit hun ei, een mooi gezicht. Deze kuikens gaan meteen op zoek naar insecten, hun voedsel, maar vinden niets. Door de droogte in de velden zijn er geen insecten, waardoor de kuikens nog voor ze twee dagen oud zijn door honger sterven. Ook de volwassen weidevogels hebben het moeilijk, door de droogte zijn de regenwormen diep in de bodem weggekropen. De bodem is bovendien uitgedroogd en hard, waardoor de grutto er met zijn gevoelige snavel niet in kan prikken.  ‘Rûnom de plasdrassen ha de fûgels it noch goed, dêr binne ek jonge pyken’ zegt BFVW-voorzitter Frans Kloosterman, ‘mar yn hiele grutte stikken lân dêrbûten is foar âlden en pyken net in stikje fretten te finen.’

Zowel boeren als burgers kunnen met simpele maatregelen de vogels helpen. Boeren kunnen de kievit en andere weidevogels helpen door hier en daar water op het land te pompen. Laat, daar waar het mag en kan, greppels vollopen of verhoog het peil in de sloten. Het water trekt insecten aan voor de kuikens. De bodem wordt bovendien weer vochtig, waardoor de regenwormen weer binnen bereik van de volwassen vogels komen.

Burgers kunnen in tuinen zorgen voor waterplassen op de modder, zodat bijvoorbeeld zwaluwen die vochtige modder kunnen gebruiken om hun nestjes te metselen. De modder trekt ook insecten aan, die de vogels gebruiken om hun jongen te voeren. Kloosterman: ‘we genietsje yn dizze tiid dat wy allegear thús binne fan alle fûgels yn ús túnen, litte wy dan ek wat foar se werom dwaan.’