Aantal huishoudens met problematische schulden niet toegenomen

30-06-2021 JOURE – Friesland telde op 1 oktober 2020 ruim 43.500 huishoudens met geregistreerde problematische schulden. Dat is 7,6 procent van alle particuliere huishoudens. Aan het begin van 2020, voor de coronapandemie, was dat 7,9 procent. Onder de instromers nam het aandeel huishoudens met een zelfstandige of iemand met een flexibel contract toe. Dat blijkt uit het vernieuwde dashboard Schuldenproblematiek in beeld.

De cijfers zijn samengesteld met bestaande registerdata en behelzen omvang, achtergrondkenmerken en ontwikkelingen van de schuldenproblematiek van Friese huishoudens. Het duurt vaak enige tijd voordat schulden als problematisch gekenmerkt worden. Ook zijn niet alle schulden in een registratie te vinden, bijvoorbeeld schulden bij familieleden of kennissen. Het kan dus zijn dat huishoudens die door corona in de financiële problemen kwamen op 1 oktober (nog) niet zichtbaar zijn in de geregistreerde problematische schulden.

In januari tot oktober bleef de maandelijkse instroom van het aantal huishoudens met problematische schulden met gemiddeld ruim 495 ongeveer op hetzelfde peil. De lichte daling van het aantal huishoudens met geregistreerde problematische schulden hangt dus vrijwel zeker samen met een toegenomen uitstroom.

Instromer vaker zzp’er of zelfstandige
Tussen 1 januari en 1 oktober 2020 kregen 4500 huishoudens te maken met geregistreerde problematische schulden. Onder deze instromers nam het aandeel huishoudens zonder werknemer iets toe (van 36,3 procent naar 38,1 procent). Zij hadden ook vaker dan de instromers voor 1 januari een zelfstandige in het huishouden (27,9 procent tegen 24,7 procent) of iemand met een flexibel contract (35,3 procent tegenover 33 procent). Huishoudens die niet instroomden telden veel minder vaak een zelfstandige of iemand met een flexibel contract.

Minder instromers uit laagste inkomensgroepen
De instromers voor 1 oktober 2020 kwamen minder vaak uit de laagste twee inkomensgroepen (met een huishoudensinkomen van minder dan 10 duizend euro en met 10 tot 15 duizend euro per jaar) dan die voor 1 januari. Van de instromers voor 1 oktober 2020 had 6,7 procent een inkomen uit de laagste categorie en 11,3 procent een inkomen uit de tweede groep; bij instromers voor januari was dat respectievelijk 7,7 en 13,2 procent.

Ook hadden instromers voor oktober iets minder vaak dan instromers voor het begin van het jaar een bijstandsuitkering als inkomensbron.